Het effect van beworteling op droogteresistentie Engels raaigras rassen

Nieuws

Het effect van beworteling op droogteresistentie Engels raaigras rassen

Gepubliceerd op
29 november 2018

Verschillen in bewortelingsdiepte van Engels raaigras is mogelijk een belangrijke factor voor het vergroten van droogtetolerantie. Dat geldt vooral bij een plant onder droge omstandigheden. Met diepe beworteling kan een plant langer van grondwater gebruik maken. Het effect van beworteling op droogteresistentie is onderzocht in een buizenproef.

Zoals reeds beschreven in een eerder nieuwsbericht is in maart 2018 een buizenproef gestart met vier rassen Engels raaigras. Dit waren twee diploïde en twee tetraploïde rassen met in beide groepen een ras met een diepe of ondiepe verwachte beworteling (op basis van een eerdere proef in 2016).

foto effect van beworteling op droogteresistentie.jpg

Vanaf half mei werden er drie bewateringsniveaus ingesteld. De druppelaars gaven respectievelijk 100% (W100), 50% (W50) en 20% (W20) van de dagelijkse optimale watergift. Om de situatie in het veld na te bootsen, waar het vochtniveau hoger is op grotere diepte, stonden de buizen in een bak waarin het waterniveau te regelen was. Door capillaire opstijging konden de planten profiteren van dit vocht in de diepere bodemlagen van ca 35-80 cm.

Effect op wortelbiomassa

Aan het einde van de droogtebehandeling zijn de buizen opengemaakt en is het zand van de wortels gespoeld. Vervolgens hebben de onderzoekers de wortels opgedeeld in lagen van 10 cm. Er was geen verschil tussen de diepe en ondiep wortelende rassen in wortelbiomassa in de bovenste laag (0-10 cm, Figuur 1a). Maar, in de diepere lagen hadden de diep wortelende rassen een hogere wortelbiomassa dan de ondiep wortelend rassen (Figuur 1b en c).

De droogtebehandeling had geen effect op de wortelbiomassa in de bovenste 10 cm. Maar, in de diepere lagen (10-30 en 30-80 cm) nam de wortelbiomassa bij droogte gemiddeld met 30% af ten opzichte van W100. Bij droogte werden er dus minder diepe wortels gevormd of onderhouden, of werden de wortels sneller afgebroken.

Figuur 1. Effect van watergift (W100 = 100%, W50 = 50% en W20 = 20% van dagelijks optimale watergift) op de wortelbiomassa van Engels raaigras rassen met diepe en ondiepe verwachte beworteling op 0-10 cm, 10-30 cm en 30-80 cm diepte.
Figuur 1. Effect van watergift (W100 = 100%, W50 = 50% en W20 = 20% van dagelijks optimale watergift) op de wortelbiomassa van Engels raaigras rassen met diepe en ondiepe verwachte beworteling op 0-10 cm, 10-30 cm en 30-80 cm diepte.

Effect op bovengrondse biomassa

Drie en zeven weken na het begin van de droogtebehandeling werd het gras geoogst om de bovengrondse biomassa te bepalen. De droogtebehandeling had een sterk effect op de bovengrondse biomassa van de Engels raaigras rassen. De bovengrondse biomassa tijdens de droogteperiode voor de twee diep wortelende rassen was ruim twee keer zo hoog bij W100 dan bij W20. Echter, bij de ondiep wortelende rassen bleef de opbrengst bij W100 sterk achter, en was er geen effect van droogtebehandeling. Het is onduidelijk waarom de twee ondiep wortelende rassen het juist bij W100 zo slecht deden. Het gevolg is dat er uit deze buizenproef nog geen duidelijke conclusies over verschillen in droogteresistentie tussen de rassen kunnen worden getrokken.

Figuur 2. Effect van watergift (W100 = 100%, W50 = 50% en W20 = 20% van dagelijks optimale watergift) op de bovengrondse biomassa gedurende de hele droogteperiode van Engels raaigras rassen met diepe en ondiepe verwachte beworteling.
Figuur 2. Effect van watergift (W100 = 100%, W50 = 50% en W20 = 20% van dagelijks optimale watergift) op de bovengrondse biomassa gedurende de hele droogteperiode van Engels raaigras rassen met diepe en ondiepe verwachte beworteling.