Secundaire plaaginsecten

Vitale bomen kunnen zich actief verweren tegen insecten die zich in de bast proberen te vreten, zoals bastkevers en prachtkevers. Deze secundaire plaaginsecten kunnen alleen optreden bij verzwakte bomen.

leven op verzwakte bomen

Bij verzwakking na kaalvraat of als gevolg van droogte, kunnen deze insecten wel succesvol de bast binnendringen en de boom verder verzwakken. Bij een voldoende grote populatie van deze secundaire plaaginsecten kan dit leiden tot sterfte van de boom.

De meest problematische bastkever is de Letterzetter Ips typographus. De volwassen kevers maken broedgangen onder de bast van verzwakte of gevelde fijnsparren. De larven vreten zich door de bast via gangen die loodrecht staan op de verticale broedgangen. Er ontstaat een mooi symmetrisch vraatpatroon wat doet denken aan een opengeslagen boek. Wanneer veel keverlarven in de boom aanwezig zijn wordt deze effectief geringd en sterft. Na een storm kan door het grote aanbod van geschikt broedhout een dusdanig grote populatie van de letterzetter ontstaan dat deze ook in staat is vitale bomen aan te tasten en te doden. In enkele Oost-Europese landen hebben uitbraken van letterzetter geleid tot de sterfte van duizenden hectares fijnsparrenbos.

Een andere veel voorkomende bastkever is de Dennenscheerder Tomicus piniperda. Evenals de letterzetter maakt de dennenscheerder een karakteristiek patroon van moeder- en larvengangen in de cambiale zone van kwijnende dennen en in geveld dennenhout. De jonge volwassen kevers vliegen voor hun rijpingsvraat naar gezonde dennen waarvan ze de loten uithollen die vervolgens afbreken. Dit geeft de dennen een geschoren uiterlijk. De dennenscheerder is niet in staat gezonde bomen te doden. De schade door vraat aan de twijgen leidt hoogstens tot een verminderde bijgroei.

Het risico op aantasting door Letterzetter en Dennenscheerder heeft in Nederland geleid tot speciale verordeningen waarbij werd geëist dat geveld naaldhout voor 15 mei uit het bos moest zijn afgevoerd. Dat voorkwam dat de larven zich konden verpoppen tot volwassen kevers. Doordat grote aaneengesloten bossen van grove den steeds minder voorkomen en deze bossen steeds meer gemengd raken, is het risico van plagen door de dennenscheerder sterk gedaald. Daarnaast is de perceptie van het begrip ‘schade’ in de loop van de tijd veranderd. Om deze redenen is de verordening ten aanzien van de Dennenscheerder opgeheven. De verordening voor de Letterzetter blijft voorlopig van kracht (www.bosschap.nl).

Ook bij loofbomen kunnen secundaire plaaginsecten op grotere schaal verzwakte bomen doden. Zo trad in de jaren negentig van de vorige eeuw aanzienlijke sterfte op bij eiken die door herhaalde kaalvraat van wintervlinder en groene eikenbladroller, in combinatie met een vernatting op leemhoudende gronden, zodanig verzwakt waren dat ze gevoelig werden voor aantastingen door de Eikenprachtkever Agrilus biguttatus. De larven van deze kever maken lange slingerende gangen in de cambiale zone waardoor de bomen ‘geringd’ worden en afsterven. Een ander voorbeeld van een secundaire aantaster is de Eikenspintkever Scolytus intricatus. Deze bastkever kan sterfte veroorzaken bij pas geplante jonge eikenbomen, die door de ‘plantschok’ zijn verzwakt.